|
In ondernemingen worden streepjescodes veel gebruikt, in het bijzonder voor voorraadbeheer. U kunt streepjescodes gebruiken om formulieren te identificeren, maar doorgaans worden de streepjescodes afgedrukt op zelfklevend papier om etiketten voor de inventaris te maken.
Designer ondersteunt twee typen streepjescodes:
- Hardwarestreepjescodes
- Hardwarestreepjescodes kunnen alleen worden gebruikt wanneer het formulier rechtstreeks vanaf de server naar de printer wordt afgedrukt. Aangezien voor het afdrukken een printer nodig is, gebruikt Designer tijdelijke aanduidingen om de hardwarestreepjescodes in het formulier weer te geven.
- Softwarestreepjescodes
- Kunnen worden getekend door Designer en zijn zichtbaar in Acrobat en Adobe Reader. Ze kunnen op elke printer worden afgedrukt.
Sommige typen streepjescode kunnen arbitraire binaire gegevens bevatten. Andere typen kunnen alleen een bepaalde set tekens of codes bevatten. De formulierauteur moet zorgen dat de gegevens geschikt zijn voor de streepjescode, bijvoorbeeld door een validatie in te stellen voor het veld.
Indelingen van streepjescodesDesigner wordt geïnstalleerd met diverse streepjescodes die u kunt gebruiken. De ondersteunde streepjescode-indelingen staan vermeld in de categorie Streepjescodes van het palet Objectbibliotheek. Als u een streepjescode gebruikt waarvoor een specifiek type printer vereist is, wordt de streepjescode in Designer op het formulier weergegeven als gearceerde rechthoek.
Opmerking: Interactieve streepjescodes waarmee de gebruikersinvoer kan worden geaccepteerd, worden alleen ondersteund voor PDF-formulieren die zijn ingevuld in Acrobat 7.0.5 of Adobe Reader 7.0.5.
Designer ondersteunt ook de tweedimensionale streepjescode voor papieren formulieren. Zie Informatie over streepjescodes voor papieren formulieren voor meer informatie.
Positie en weergave van streepjescodesEen streepjescode wordt gelezen door een speciaal apparaat, een zogenaamde streepjescodelezer. Daar de streepjescode moet kunnen worden gelezen door een machine, gelden er strenge voorwaarden voor de weergave. Voor veel typen streepjescodes zijn bijvoorbeeld de hoogte van de streepjes en de afstand ertussen voorgeschreven. Daarnaast is meestal een minimale hoeveelheid witruimte rond de streepjescode vereist (de rustige zone) en een bepaalde afstand tot de paginarand.
Designer heeft geen functies om plaatsingseisen of een rustige zone aan te geven of af te dwingen. De maker van het formulier is ervoor verantwoordelijk dat aan deze vereisten wordt voldaan.
Eigenschappen van streepjescodesNadat u een streepjescode aan het formulierontwerp hebt toegevoegd, kunt u de eigenschappen van het object bewerken op de tabbladen Veld, Waarde en Binding van het palet Object. U kunt de volgende eigenschappen opgeven:
De positie van de tekst
De lengte van de gegevens
Eventuele bijkomende eigenschappen die door de streepjescode worden ondersteund (bijvoorbeeld de mogelijkheid van een optionele controlesom en het insluiten en plaatsen van tekst)
De streepjescode zichtbaar, onzichtbaar of verborgen maken
De bindingsmethode waarmee de gebonden gegevens worden opgeslagen en opgehaald
Veldeigenschappen voor streepjescodes definiërenAls u de eigenschappen van een streepjescode wilt opgeven, moet u de streepjescode eerst selecteren en de basiseigenschappen opgeven op het tabblad Veld in het palet Object. Het aantal en de typen eigenschappen van de streepjescode kunnen verschillend zijn, afhankelijk van de gekozen streepjescode.
Selecteer de streepjescode.
Klik in het palet Object op het tabblad Waarde en typ de streepjescodetekst in het vak Standaard.
Klik op het tabblad Veld en geef in het vak Locatie de plaatsing van de tekst op.
De PDF 417-indeling ondersteunt geen positionering van de tekst, en de formaten EAN8, EAN13 en UPC-A bieden uitsluitend ondersteuning voor de optie Onder ingesloten.
Voer in de kolom Waarde een of meer van de volgende handelingen uit:
Typ in het vak Gegevenslengte de lengte van de gegevens. Als u een MSI-streepjescode definieert, moet de gegevenslengte een waarde tussen 1 en 14 zijn. De streepjescode-indelingen MSI, UPC-E, UPC EAN2, UPC EAN5, US Postal Zip-5, US Postal DPBC en US Postal Standard hebben vaste gegevenslengten en u kunt deze niet wijzigen.
Als een vak Controlesom is weergegeven, kunt u de controlesom in- of uitschakelen. Als u de standaard controlesom wilt inschakelen, selecteert u Auto. Selecteer Geen als u de controlesom wilt uitschakelen. Als u een MSI-streepjescode definieert, moet u één van de beschikbare controlesommethoden selecteren.
Als een vak Eindteken of Beginteken wordt weergegeven, typt u hierin het eindteken en/of beginteken. Als u een Codabar-streepjescode definieert, zijn de volgende tekens geldig voor de eindtekens en begintekens: A, B, C, D, a, b, c, d, *, N, T, E, n, t en e. Als u een Code 49-streepjescode opgeeft, zijn alleen de tekens A, 1, 2, 3, 4 en 5 geldige begintekens.
Als een vak Verhouding breed/smal is weergegeven, typt u een waarde voor de breed/smal-verhouding. Voor de formaten Codabar, Code 2 of 5 (Industrial, Interleaved en Matrix) en Code 3 of 9 moet voor de breed/smal-verhouding een waarde tussen 2,2 en 3,0 worden opgegeven. Voor de streepjescodes Code 11, Logmars, MSI en Plessey moet deze waarde tussen 2,0 en 3,0 liggen.
De standaardwaarde voor de streepjescode instellen Klik in het palet Object op het tabblad Waarde en typ een standaardwaarde in het vak Standaard.
Bepalen hoe gegevens in een streepjescode worden verwerktAls u de eigenschappen van een streepjescode wilt opgeven, moet u eerst de streepjescode selecteren. Stel op het tabblad Waarde van het palet Object de eigenschappen in om aan te geven hoe de gegevens in de streepjescode moeten worden geplaatst.
 U kunt een bericht van validatiepatroon of -script dynamisch invullen met een waarde uit een gegevensbron. Op deze manier zorgt u ervoor dat gebruikers de juiste waarde in het veld invoeren. Klik in het palet Object op het tabblad Waarde en selecteer vervolgens een van deze opties in de lijst Type:
Als u gebruikers de mogelijkheid wilt bieden wel of geen gegevens te kiezen, selecteert u Door gebruiker ingevoerd - optioneel.
Als u gebruikers wilt vragen gegevens in te voeren en het veld aanbevolen te maken, selecteert u Door gebruiker ingevoerd - aanbevolen en typt u een aangepast bericht in het vak Bericht indien leeg.
Als u gebruikers wilt vragen gegevens in te voeren en het veld vereist wilt maken, selecteert u Door gebruiker ingevoerd - vereist en typt u een aangepast bericht in het vak Bericht indien leeg.
Als u het veld alleen-lezen wilt maken en een gegevenswaarde wilt weergeven die is berekend en wordt weergegeven met een gekoppeld script, selecteert u Berekend - alleen-lezen. Gebruikers kunnen de berekende waarde niet bewerken.
Als u het veld bewerkbaar wilt maken en een waarde wilt weergeven die is berekend en wordt weergegeven met een gekoppeld script, selecteert u Berekend - kan door gebruiker worden overschreven. Gebruikers kunnen de waarde wijzigen als het berekeningsscript zo is geschreven dat ingevoerde gegevens worden geaccepteerd. Als een gebruiker de berekende waarde bewerkt, wordt het aangepaste bericht weergegeven dat u in het vak Bericht bij overschrijven hebt opgegeven.
Als u het veld alleen-lezen wilt maken en een waarde wilt weergeven die is samengevoegd of berekend en wordt weergegeven tijdens runtime, selecteert u Alleen-lezen. Gebruikers kunnen de waarde niet bewerken.
Als de waarde aanbevolen of vereist is, geeft u een berichttekst op in het vak Bericht indien leeg.
Als de waarde wordt berekend, moet u het berekeningsscript aan het object toewijzen met de Scripteditor.
(Optioneel) Als een berekende waarde kan worden overschreven, typt u een bericht in het vak Bericht indien leeg.
Aangepaste eigenschappen voor gegevensbinding definiëren voor een streepjescodeMet de opties voor gegevensbinding kunt u een formulier ontwerpen waarmee u gegevens kunt vastleggen ten behoeve van de infrastructuur van de organisatie en/of een externe gegevensbron kunt gebruiken om een formulier tijdens runtime voor te bewerken. U kunt de eigenschappen voor de gegevensbinding instellen op het tabblad Binding in het palet Object.
Selecteer de streepjescode.
Zorg ervoor dat het formulier verbinding met de gegevensbron kan maken wanneer het formulier wordt geopend.
Koppel de streepjescode aan het overeenkomstige gegevensknooppunt. Zie Velden aan een gegevensbron binden voor informatie over hoe objecten aan een gegevensbron kunnen worden gebonden.
Niet-afdrukbare tekens coderen in streepjescodegegevensU kunt verborgen, niet-afdrukbare tekens coderen tussen de gegevens in Code 128-streepjescodes U kunt bijvoorbeeld de tekens coderen als voorvoegsel en scheidingsteken als onderdeel van de Code 128-streepjescodestandaard. Bij het lezen van de streepjescode wordt de betekenis van deze tekens door de desbetreffende toepassing gedecodeerd.
Sommige tekens zijn gereserveerd voor gebruik als niet-afdrukbare tekens in Code 128-streepjescodes. Gebruik voor het coderen van deze tekens in een streepjescode het volgende mechanisme in Designer.
Niet-afdrukbare Code 128_tekens
|
Gebruik deze waarden in Designer
|
FNC1
|
[F1]
|
FNC2
|
[F2]
|
FNC3
|
[F3]
|
SHIFT
|
[SH]
|
Wijzigen in Subset A
|
[CA]
|
Wijzigen in Subset B
|
[CB]
|
Wijzigen in Subset C
|
[CC]
|
Starten in Subset A
|
[SA]
|
Starten in Subset B
|
[SB]
|
Starten in Subset C
|
[SC]
|
Voor bijvoorbeeld het coderen van FNC1 in een Code 128-streepjescode voegt u 00[F1]12345[F1]67890.] als volgt in.
|
|
|