Een sneltoets toewijzen aan een opdracht

U kunt een sneltoets toewijzen aan een opdracht. Het is mogelijk een of meer sneltoetsen toe te wijzen aan dezelfde opdracht. Om onnodige duplicaten te voorkomen, kunt u beter maar één sneltoets aan een opdracht toewijzen.

Als de sneltoets die u wilt gebruiken al is toegewezen aan een andere opdracht, wordt u in Designer gevraagd of u de sneltoets voor de andere opdracht wilt verwijderen en wilt toewijzen aan de momenteel geselecteerde opdracht.

Als u een sneltoets toewijst aan een opdracht waarvoor nog geen sneltoets bestaat of als u een sneltoets toewijst aan een opdracht waaraan al een standaardsneltoets is toegewezen, wordt voor de naam van de opdracht in de lijst Opdracht een sterretje (*) weergegeven om aan te geven dat de sneltoetsen voor de opdracht zijn gewijzigd.

Opmerking: Wanneer u een sneltoets toewijst aan een opdracht, wijzigt u de sneltoetsenset (de standaardset of een aangepaste set) waartoe de opdracht behoort. Er wordt nu in Designer een ander exemplaar van de sneltoetsenset aan de lijst Set toegevoegd, waarbij de tekst (Gewijzigd) achter de setnaam wordt geplaatst om aan te geven dat de set is gewijzigd. Als u de sneltoetsen die u aan opdrachten toewijst wilt opslaan, moet u de bijbehorende sneltoetsenset opslaan.

Als u de wijzigingen in een sneltoetsenset niet opslaat, blijven de wijzigingen in Designer bewaard totdat u een andere set selecteert in de lijst Set. Wanneer u een andere sneltoetsenset selecteert, wordt u in Designer gevraagd of u de wijzigingen wilt opslaan die u in de standaardset of de aangepaste set hebt aangebracht.

  1. Selecteer Opties > Sneltoetsen.

  2. Selecteer in de lijst Set de set waarin u de sneltoets wilt opslaan.

  3. Selecteer (Alle opdrachten) in de lijst Productgebied of selecteer het menu dat de gewenste opdracht bevat.

  4. Selecteer de gewenste opdracht in de lijst Opdrachten. Bestaande sneltoetsen worden weergegeven in de lijst Huidige sneltoetsen.

  5. (Optioneel) Selecteer in de lijst Huidige sneltoetsen de andere sneltoetsen voor de opdracht die u wilt verwijderen en klik op Verwijderen.

  6. Typ in het vak Nieuwe sneltoets de sneltoets die u aan de opdracht wilt toewijzen en klik op Toewijzen.

  7. Klik op Opslaan als om de wijzigingen in de sneltoetsenset op te slaan.

  8. (Optioneel) Typ in het vak Naam de naam van de nieuwe set. Als u geen nieuwe naam voor de set typt, blijft de tekst (Gewijzigd) achter de bestaande setnaam staan.

  9. Klik op OK.