|
De Indelingseditor aanpassenU kunt de Indelingseditor aanpassen om tabbladen weer te geven of te verbergen, het formaat van pagina's te wijzigen en om in en uit te zoomen.
Tabbladen weergeven of verbergenAls u het tabblad Ontwerpweergave wilt weergeven of verbergen, kiest u Beeld > Ontwerpweergave.
Als u het tabblad Basispagina's wilt weergeven of verbergen, kiest u Beeld > Basispagina's.
Als u het tabblad XML-bron wilt weergeven of verbergen, selecteert u Beeld > XML-bron.
Als u het tabblad Voorbeeld-PDF wilt weergeven of verbergen, selecteert u Beeld > Voorbeeld-PDF.
In- en uitzoomenAls u de pagina wilt vergroten tot 100%, selecteert u Beeld > Ware grootte.
Als u de pagina zo wilt vergroten dat deze precies in de Indelingseditor past, selecteert u Beeld > Aanpassen aan pagina.
Als u de pagina zo wilt vergroten dat deze de breedte van de Indelingseditor krijgt, selecteert u Beeld > Aanpassen aan breedte.
Als u in de Indelingseditor wilt in- of uitzoomen, selecteert u Beeld > Zoomen, geeft u in het vak Zoomen naar een waarde op van 25% tot 500% en klikt u vervolgens op OK. U kunt ook het vak Zoomen naar op de werkbalk gebruiken.
Als u een gebied wilt vergroten, selecteert u Beeld > Zoomgebied. De aanwijzer verandert in een vergrootglas. Sleep met het vergrootglas een kader rondom het gebied dat u wilt uitvergroten.
Als u een bepaalde pagina wilt weergeven, zoomt u uit zodat u de hele pagina kunt zien en schuift u omlaag naar de pagina die u wilt weergeven.
De Scripteditor aanpassenU kunt de Scripteditor weergeven of verbergen en de weergave wijzigen van één regel naar meerdere regels.
Als u de Scripteditor wilt weergeven of verbergen, selecteert u Venster > Scripteditor.
Als u van een weergave met één regel wilt overschakelen op een weergave met meerdere regels, sleept u de uitbreidingsknop op de rand van het palet Scripteditor totdat het palet de gewenste grootte heeft.
Zie Scripts schrijven met Designer voor meer informatie.
De paletten aanpassenU kunt de paletten aanpassen om paletten weer te geven of te verbergen, paletten te koppelen of te verplaatsen, of de paletten te vergroten/verkleinen of de standaardinstellingen van de paletten te herstellen.
Paletten weergeven of verbergenAls u een palet wilt weergeven, selecteert u Venster > [naam van palet].
Als u een palet wilt verbergen, selecteert u het paletmenu > Palet verbergen.
Als u alle paletten aan één kant van de Indelingseditor wilt weergeven of verbergen, klikt u op Uitvouwen op de paletrand. Klik nogmaals om de paletten samen te vouwen.
Als u alle paletten wilt weergeven of verbergen die zich bevinden op de geselecteerde locatie, selecteert u Venster > Werkruimte en selecteert u vervolgens een van de opdrachten.
Paletten koppelen of verplaatsenAls u een palet aan de zijkant van het venster wilt koppelen, sleept u de paletbalk naar de zijkant van het Designer-venster.
Als u paletten samen wilt koppelen, sleept u de paletbalk naar de onderkant van een ander palet. Deze procedure geldt alleen voor paletten die in het Designer-venster zijn gekoppeld, niet voor zwevende paletten.
Sleep de paletbalk om een palet te verplaatsen en te koppelen.
Als u een palet wilt verplaatsen zonder het te koppelen, houdt u Ctrl ingedrukt terwijl u de paletbalk sleept.
Als u een palet naar een ander paletvenster wilt verplaatsen, sleept u de paletbalk naar het doelpalet. U kunt een subtabblad niet verplaatsen.
Paletten vergroten/verkleinen of de standaardinstelling van paletten herstellenAls u een palet wilt vergroten of verkleinen, sleept u een van de zijden van het palet.
Als u de locatie van paletten wilt herstellen, selecteert u Venster > Locatie van paletten herstellen.
De tekenhulpmiddelen gebruikenU kunt het palet Tekenhulpmiddelen gebruiken om linialen en objectgrenzen weer te geven of te verbergen, het raster in te stellen en andere voorkeuren op te geven.
De tekenhulpmiddelen weergeven of verbergenAls u het palet Tekenhulpmiddelen snel wilt weergeven, dubbelklikt u op een liniaal.
Als u de objectgrenzen wilt weergeven of verbergen, selecteert u Objectgrenzen weergeven.
Als u de hulplijnen of het raster wilt weergeven of verbergen, selecteert u Hulplijnen weergeven en Raster weergeven.
Als u de linialen wilt weergeven of verbergen, selecteert u Horizontale liniaal en Verticale liniaal.
Als u kruisdraden wilt weergeven of verbergen, selecteert u Lange kruisdraden.
Het raster gebruikenAls u wilt inschakelen dat er op een raster wordt uitgelijnd, selecteert u Magnetisch raster.
Typ de nieuwe X- en Y-coördinaat in de vakken om de oorsprong van het raster in te stellen.
Typ nieuwe waarden in de vakken voor het X- en Y-interval om het interval van het raster in te stellen. Als het raster bijvoorbeeld in eenheden van 1 cm wordt weergegeven en u een interval van 10 opgeeft, worden per cm 10 rasterpunten weergegeven.
Opties voor magnetische objecten instellenAls u objecten automatisch op locaties in het raster wilt plaatsen, selecteert u Magnetisch raster.
Als u objecten automatisch wilt uitlijnen op door u gedefinieerde hulplijnen, selecteert u Uitlijnen op hulplijnen.
Als u de rand van object automatisch wilt uitlijnen op een ander object, selecteert u Uitlijnen op object.
Als u het midden van een object automatisch in het verticale of horizontale midden van de pagina wilt plaatsen, selecteert u Uitlijnen op hulplijnen.
Hulplijnen gebruikenAls u objecten automatisch wilt uitlijnen op hulplijnen, selecteert u Uitlijnen op hulplijnen.
Als u een hulplijn wilt toevoegen die linksboven in de Indelingseditor begint, sleept u de aanwijzer op de pagina. U verwijdert een hulplijn door het driehoekje van de hulplijn op de liniaal te selecteren en het van de pagina af te slepen.
U kunt ook een horizontale of verticale hulplijn toevoegen door onder Definities van hulplijn te klikken op en een numerieke locatie in te voeren. Als u een hulplijn wilt verwijderen, selecteert u de hulplijn en klikt u op .
Met het menu van het palet Tekenhulpmiddelen kunt u vooraf ingestelde hulplijnen selecteren. U kunt bijvoorbeeld een hulplijn toevoegen voor een pagina van de grootte US Letter of Legal).
Andere tekenhulpmiddelen instellenAls u de maateenheid van de linialen wilt instellen, selecteert u een eenheid in de lijst Eenheden.
Als u de kleur van objectgrensranden wilt instellen, klikt u eerst op Stijlen en daarna op het vak Kleur, selecteert u Meer kleuren en kiest u vervolgens een vooraf gedefinieerde kleur uit een palet of maakt u een aangepaste kleur door te klikken op Aangepaste kleuren definiëren.
Als u de stijl van de objectgrensrand wilt instellen, klikt u op Stijlen en selecteert u de randstijl voor het betreffende object.
Als u de kleur van rasters of hulplijnen wilt instellen, klikt u op het vak Kleur, selecteert u Meer kleuren en kiest u vervolgens een vooraf gedefinieerde kleur uit een palet of maakt u een aangepaste kleur door te klikken op Aangepaste kleuren definiëren.
De werkbalken aanpassenU kunt de werkbalken aanpassen om werkbalken weer te geven, te verbergen, te koppelen of te verplaatsen, nieuwe werkbalken te maken, werkbalken te verwijderen die niet meer nodig zijn, opdrachten aan een werkbalk toe te voegen die vaak worden gebruikt of opdrachten van een werkbalk te verwijderen die niet meer worden gebruikt, of de standaardinstellingen van werkbalken te herstellen.
Een werkbalk weergeven, verbergen, koppelen of verplaatsenAls u een werkbalk wilt weergeven of verbergen, klikt u met de rechtermuisknop op een werkbalk en schakelt u de betreffende werkbalk in of uit.
Als u een werkbalk wilt koppelen, sleept u de werkbalk naar de bovenkant van het Designer-venster.
Als u een werkbalk wilt verplaatsen, sleept u de werkbalk naar de nieuwe locatie.
Een werkbalk makenSelecteer Opties > Aanpassen.
Klik op Nieuw op het tabblad Werkbalken.
Typ een naam voor de werkbalk en klik op OK.
Voeg de gewenste opdrachten aan de werkbalk toe.
Een werkbalk verwijderenSelecteer Opties > Aanpassen.
Selecteer de werkbalk die u wilt verwijderen op het tabblad Werkbalken en klik op Verwijderen.
Opmerking: U kunt alleen door de gebruiker gemaakte werkbalken verwijderen.
De naam van een werkbalk wijzigenSelecteer Opties > Aanpassen.
Selecteer de werkbalk waarvan u de naam wilt wijzigen op het tabblad Werkbalken en klik op Naam wijzigen.
Wijzig de naam van de werkbalk en klik op OK.
Opmerking: U kunt alleen de naam van door de gebruiker gemaakte werkbalken wijzigen.
Knopinfo tonen of verbergenSelecteer Opties > Aanpassen.
Knopinfo bij werkbalken tonen of verbergen:
Om de knopinfo te tonen, schakelt u het selectievakje Knopinfo weergeven in.
Om de knopinfo te verbergen, schakelt u het selectievakje Knopinfo weergeven uit.
Een opdracht aan een werkbalk toevoegen of ervan verwijderenSelecteer Opties > Aanpassen.
Klik op de tab Opdrachten en selecteer de werkbalk die u wilt bewerken in de lijst Werkbalk bewerken.
Een knop toevoegen of verwijderen:
Als u een opdracht wilt toevoegen aan werkbalk, selecteert u de opdracht die u wilt toevoegen, en klikt u vervolgens op Gereedschap toevoegen aan werkbalk. Met de pijlknoppen Gereedschap omhoog verplaatsen en Gereedschap omlaag verplaatsen kunt u de plaats van de opdracht in de werkbalk instellen.
Als u een scheidingsteken wilt toevoegen na een opdracht in de werkbalk, selecteert u de opdracht in de werkbalk en klikt u vervolgens op Scheidingsteken toevoegen aan werkbalk. Met de pijlknoppen Gereedschap omhoog verplaatsen en Gereedschap omlaag verplaatsen kunt u de plaats van het scheidingsteken in de werkbalk instellen.
Als u een opdracht of scheidingsteken wilt verwijderen uit een werkbalk, selecteert u de opdracht of het scheidingsteken en klikt u vervolgens op Gereedschap uit werkbalk verwijderen.
Klik op Sluiten.
Standaardweergave van werkbalk herstellenSelecteer Opties > Aanpassen.
Klik op de tab Opdrachten en selecteer de werkbalk waarvan u de standaardweergave wilt herstellen, in de lijst Werkbalk bewerken.
Klik op Standaardweergave van werkbalk herstellen.
Opmerking: U kunt de standaardweergave van door de gebruiker gemaakte werkbalken niet herstellen.
De knopinfo voor objecten aanpassenU kunt knopinfo met de positie, grootte en naam van het object weergeven als u aan een formulierontwerp werkt.
Als u de positie van knopinfo wilt weergeven of verbergen, selecteert u Opties > Opties > Werkruimte, schakelt u Knopinfo voor positie en grootte weergeven tijdens het bewerken in of uit en klikt u vervolgens op OK.
Als u de knopinfo voor objecten wilt weergeven of verbergen, selecteert u Opties > Opties > Werkruimte, schakelt u Knopinfo voor objectnaam weergeven bij het aanwijzen in of uit en klikt u vervolgens op OK.
|
|
|