In een webservice, zoals gedefinieerd in een WSDL-document (Web Service Definition Language), wordt een aantal bewerkingen aangeboden. Voor elke bewerking kan met het WSDL-bestand een afzonderlijke invoermelding, uitvoermelding of beide worden gedefinieerd. De invoermeldingen worden naar een server verzonden. De server reageert vervolgens met een uitvoermelding. In een formulierontwerp kunt u velden maken en aan een of meer webservices binden. Het WSDL-bestand bevat een beschrijving van de gegevens. Met deze gegevensbeschrijving wordt de WSDL-gegevensverbinding tot stand gebracht.
De WSDL-gegevensverbinding verschilt van de andere typen gegevensverbindingen. Een bewerking voor een webservice lijkt op een functieaanroep met invoer- en/of uitvoerparameters. U kunt een specifiek veld of bepaalde velden gebruiken als gegevensbron voor de invoermelding en als bestemming voor de uitvoermelding.
Als u Designer met een WSDL-gegevensverbinding gebruikt, kunt u de volgende taken uitvoeren:
Een of meer bewerkingen binnen een of meer webservices binden.
Velden, subformulieren en uitsluitingsgroepen koppelen aan de uitvoering van een bewerking in een webservice die volgt op een click-gebeurtenis.
Een bewerking in een webservice uitvoeren op basis van een script naar aanleiding van een gebeurtenis.
Scripts toegankelijk maken voor alle geretourneerde elementen van een webservice, ongeacht of de elementen aan velden zijn gebonden.
De SOAP 1.1-communicatiestijl toepassen (SOAP-bindingen en een HTTP/HTTPS-transport).
Gegevens uitwisselen met een webservice via een document/literal-uitwisselingsindeling.
Clientscripts schrijven met behulp van het Acrobat SOAP JavaScript-object (dat ondersteuning biedt voor RPC/codering).
De volgende opties worden niet ondersteund:
Een aantal functies in het XML-schema.
Protocollen zoals SMTP, FTP, enzovoort, als transportbasis voor SOAP.
Uitbreidbaarheidselementen.
Webservices identificeren die UDDI gebruiken.
SOAP-berichten die met RPC (Remote Procedure Call) zijn gecodeerd.
Het gebruik van HTTP POST en GET WSDL-bindingen.
U kunt een gegevensverbinding maken met een WSDL-document op een beveiligde webserver, waarbij HTTP/HTTPS-clientverificatie is vereist voor toegangsbeheer of verificatie op berichtniveau voor het aanvragen van een webservice, of beide.
HTTP/HTTPS-verificatie gebeurt in de transportlaag waar clientverificatie is vereist voor toegang tot het WSDL-document en voor verbinding met een beveiligde webservice. Bij HTTP/HTTPS-verificatie worden gebruikersnaam en wachtwoord, overzicht van gebruikersnaam en wachtwoord en clientcertificaat geaccepteerd voor de verificatie:
Gebruikersnaam en wachtwoord zorgen voor basistoegangsverificatie, waarbij de gebruiker een aanmeldingsvenster te zien krijgt. De combinatie van gebruikersnaam en wachtwoord worden als gewone tekst verstuurd. Er vindt dus geen hashing plaats voordat ze naar de server worden verstuurd.
Overzicht van gebruikersnaam en wachtwoord zorgt voor uitgebreide verificatie, waarbij de gebruiker een aanmeldingsvenster te zien krijgt. Bij de gebruikersnaam en het wachtwoord vindt in dit geval hashing plaats voordat ze naar de server worden verstuurd.
Opmerking: Het aanmeldingsvenster bevat de naam van de server en het domein waar de gebruiker verbinding mee wil maken. Op een bepaalde server kunnen diverse domeinen zijn ingesteld. Als de gebruiker hiervan op de hoogte is, kan hij of zij beter bepalen welke referenties nodig zijn voor het aanmelden.
Verificatie met clientcertificaten zorgt voor verificatie met digitale id's, waarbij de gebruiker het dialoogvenster met de beschikbare digitale id's te zien krijgt en de juiste digitale id selecteert en naar de server verstuurt voor verificatie.
Opmerking: Voor verificatie met clientcertificaten moet u een digitale id beschikbaar hebben in het Windows-certificaatarchief of in het Designer-archief met digitale-id-bestanden waarmee u een WSDL-gegevensverbinding kunt maken. Zie
Digitale id's importeren.
Verificatie op berichtniveau gebeurt in de SOAP-berichtlaag (Simple Object Access Protocol), waarbij clientverificatie is vereist met een beveiligingstoken (ingesloten in de SOAP-berichtheader) voor verbinding met een beveiligde webservice. De berichtniveaulaag accepteert verificatie met een gebruikersnaam en wachtwoord, waarbij de gebruiker een aanmeldingsvenster te zien krijgt. Acrobat 9.0 of hoger ondersteunt verificatie op berichtniveau met een gebruikersnaam en wachtwoord.
Wanneer u een beveiligde WSDL-gegevensverbinding maakt, geeft u (optioneel) het type referenties op dat voor HTTP/HTTPS-verificatie en verificatie op berichtniveau wordt geaccepteerd. De referenties voor HTTP/HTTPS-verificatie worden als onderdeel van de HTTP/HTTPS-protocolheader verstuurd. De referenties voor de berichtlaag (SOAP) dienen als basis voor de beveiligingstoken (ingesloten in de SOAP-berichtheader). Houd in gedachten dat u het type referenties voor acceptatie moet opgeven wanneer u een serverwerkstroom hebt waarbij de server referenties moet leveren zonder tussenkomst van de gebruiker.
Opmerking: Als u probeert om verbinding te maken met een WSDL-bestand in de Workbench-gegevensopslagruimte, wordt er mogelijk een foutbericht weergegeven waarin wordt vermeld dat het bestand niet kan worden geladen. U moet het WSDL-bestand openen in Workbench voordat u de gegevensverbinding kunt maken.