Een toepassing gebruikt vaak dezelfde SQL-instructie meerdere keren, met slechts een kleine wijziging. Bijvoorbeeld: een voorraadbeheertoepassing waarmee een gebruiker nieuwe voorraaditems kan toevoegen aan de database. De toepassingscode die een voorraaditem toevoegt aan de database voert de SQL-instructie
INSERT
uit, waarmee de gegevens daadwerkelijk worden toegevoegd aan de database. Elke keer dat de instructie wordt uitgevoerd, is er echter een kleine wijziging. Met name de daadwerkelijke waarden die worden ingevoegd in de tabel, verschillen omdat ze specifiek zijn voor het voorraaditem dat wordt toegevoegd.
Als een SQL-instructie meerdere keren maar met verschillende waarden wordt gebruikt, wordt u aangeraden een SQL-instructie te gebruiken die met parameters werkt en niet met literale waarden in de SQL-tekst. Een parameter is een placeholder in de instructietekst die door een daadwerkelijke waarde wordt vervangen elke keer dat de instructie wordt uitgevoerd. Als u parameters in een SQL-instructie wilt gebruiken, maakt u de
SQLStatement
-instantie op de gewone manier. Voor de daadwerkelijke SQL-instructie die aan de eigenschap
text
wordt toegewezen, gebruikt u parameterplaceholders in plaats van literale waarden. Vervolgens definieert u de waarde voor elke parameter door de waarde van een element in de eigenschap
parameters
van de SQLStatement-instantie in te stellen. Aangezien de eigenschap
parameters
een associatieve array is, stelt u een specifieke waarde in met de volgende syntaxis:
statement.parameters[parameter_identifier] = value;
parameter_identifier
is een tekenreeks als u een benoemde parameter gebruikt, of een index van gehele getallen als u een onbenoemde parameter gebruikt.