Publiceren voor Adobe AIR



Met Adobe® AIR™, een nieuwe platformonafhankelijke runtimetoepassing, kunt u gebruikmaken van lokale desktopbronnen en gegevens om nog persoonlijkere en boeiendere ervaringen te leveren. U kunt nu, met dezelfde vaardigheden als u gebruikt om inhoud te maken voor de Adobe Flash Player, inhoud maken die een nog groter publiek bereikt via meer wegen: web, mobiele apparatuur en nu ook de desktop.

Informatie over Adobe AIR

Adobe® AIR™ is een runtime voor verschillende besturingssystemen waarmee u uw bestaande webontwikkelingsvaardigheden (Adobe® Flash® CS3 Professional, Adobe® Flex™, HTML, JavaScript®, Ajax) kunt gebruiken om Rich Internet Applications (RIA's) op het bureaublad te ontwikkelen en te gebruiken. Met AIR kunt u werken in een bekende omgeving zodat u het gereedschap en de methodes kunt gebruiken waarmee u het liefst werkt, en met de ondersteuning van Flash, Flex, HTML, JavaScript en Ajax ontwikkelt u de kennis die het meest voldoet aan u wensen en behoeften.

Gebruikers werken op dezelfde manier met AIR-toepassingen als met eigen bureaubladtoepassingen. De runtime wordt eenmaal op de computer van de gebruiker geïnstalleerd en vervolgens worden AIR-toepassingen geïnstalleerd en uitgevoerd net als bij elke andere bureaubladtoepassing. De runtime biedt een consistent platform en kader voor verschillende besturingssystemen voor het gebruik van toepassingen, waardoor een cross-browsertest niet nodig is omdat de constante functionaliteit en interacties op bureaubladen worden gewaarborgd. In plaats van te ontwikkelen voor een specifiek besturingssysteem, richt u zich op de runtime.

AIR zorgt voor een volledig andere manier waarop toepassingen kunnen worden gemaakt, geïmplementeerd en ervaren. U hebt meer creatieve controle en kunt uw Flash-, Flex-, HTML- en Ajax-toepassingen uitbreiden naar het bureaublad zonder dat u traditionele technologieën voor ontwikkeling voor bureaubladen hoeft aan te leren.

Zie Adobe AIR 1.1-toepassingen ontwikkelen met Adobe Flash CS4 Professional voor meer informatie over het ontwikkelen van Adobe AIR™-toepassingen.

Een Adobe AIR-bestand maken

U kunt Adobe AIR Flash-documenten maken via het Flash-welkomstscherm of met de opdracht Bestand > Nieuw. U kunt ook een Flash-bestand (ActionScript® 3.0) maken en dit in een Adobe AIR-bestand omzetten via het dialoogvenster Publicatie-instellingen.

U kunt als volgt een Adobe AIR-bestand maken:

  • Start Flash. Het welkomstscherm verschijnt. Als u Flash al hebt gestart, sluit u alle geopende documenten om terug te keren naar het welkomstscherm. Selecteer in het welkomstscherm de optie Flash-bestand (Adobe AIR).

    Opmerking: wanneer u het Flash-welkomstscherm hebt uitgeschakeld, kunt u het opnieuw weergeven door Bewerken > Voorkeuren te selecteren en Welkomstscherm te selecteren in het pop-upmenu Bij starten in de categorie Algemeen.
  • Kies Bestand > Nieuw en selecteer Flash-bestand (Adobe AIR) en klik op OK.

  • Open een bestaand Flash-bestand en converteer het naar een AIR-bestand door Adobe AIR te kiezen vanuit het Player-menu op het tabblad Flash of het dialoogvenster Publicatie-instellingen (Bestand > Publicatie-instellingen).

AIR-bestanden zijn standaard op gebruik van ActionScript 3.0 ingesteld. U kunt een AIR-bestand maken uit een ActionScript 2.0 FLA-bestand, maar het bestand kan geen AIR-specifieke API's gebruiken, die allemaal ActionScript 3.0 zijn. Dit kan nuttig zijn voor het converteren van oudere Flash-inhoud naar AIR-toepassingen.

Opmerking: Als u een Flash CS4 AIR-bestand in Flash CS3-indeling opslaat, stelt u de Player-versie handmatig in op AIR 1.0 in het dialoogvenster Publicatie-instellingen als u het bestand opent in Flash CS3. Flash CS3 ondersteunt alleen publiceren naar AIR 1.0.

Een Adobe AIR-toepassing bekijken of publiceren

U kunt een voorvertoning van een Flash AIR SWF-bestand bekijken zoals deze in een AIR-toepassingsvenster zal worden weergegeven. Voorvertoningen zijn nuttig als u wilt zien hoe de zichtbare aspecten van de toepassing eruit zien zonder dat u de toepassing opnieuw hoeft te verpakken en te installeren.

  1. Controleer of u de Player-instelling op het tabblad Flash van het dialoogvenster Publicatie-instellingen hebt ingesteld op Adobe AIR.

  2. Selecteer Besturing > Film testen of druk op Ctrl+Enter.

Wanneer u geen toepassingsinstellingen hebt opgegeven via het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer, genereert Flash een standaardtoepassingsbeschrijvingsbestand (swfname-app.xml) in dezelfde map als waar het SWF-bestand wordt geschreven. Wanneer u wel toepassingsinstellingen hebt opgegeven via het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer, weerspiegelt het toepassingsbeschrijvingsbestand die instellingen.

U kunt als volgt een AIR-bestand publiceren:

  • Klik op de knop Publiceren in het dialoogvenster Publicatie-instellingen.

  • Klik op de knop AIR-bestand publiceren in het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer.

  • Selecteer Bestand > Publiceren.

  • Selecteer Bestand > Voorvertoning publiceren.

Als u een AIR-bestand publiceert, maakt Flash een SWF-bestand en een descriptorfile voor een XML-toepassing en verpakt kopieën van beide, samen met andere bestanden die u eventueel aan uw toepassing hebt toegevoegd, in een AIR-installerbestand (swfname.air).

AIR-toepassings- en -installerbestanden maken

Nadat u klaar bent met de ontwikkeling van uw toepassing, geeft u de instellingen op voor de descriptor- en installerbestanden voor AIR-toepassingen die nodig zijn om deze te kunnen gebruiken. Flash maakt de descriptor- en installerbestanden samen met het SWF-bestand wanneer u een AIR-bestand publiceert.

U geeft de instellingen voor deze bestanden op in het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer. Zodra u een AIR-bestand hebt gemaakt, kan dit dialoogvenster worden geopend vanuit de Eigenschapcontrole voor documenten of de knop Instellingen in het tabblad Flash van het dialoogvenster Publicatie-instellingen.

Adobe AIR-toepassings- en -installerbestanden maken

  1. Open in Flash het FLA-bestand of de set bestanden waaruit uw Adobe AIR-toepassing bestaat.

  2. Sla het Adobe AIR FLA-bestand op voordat u het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer opent.

  3. Selecteer Bestand > AIR-instellingen.

  4. Voer de vereiste gegevens in het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer in en klik vervolgens op AIR-bestand publiceren.

    Wanneer u op de knop AIR-bestand publiceren klikt, worden de volgende bestanden verpakt: het SWF-bestand, het toepassingsbeschrijvingsbestand, de toepassingspictogrambestanden en de bestanden die worden vermeld in het tekstvenster Opgenomen bestanden. Wanneer u nog geen digitaal certificaat hebt gemaakt, wordt het dialoogvenster Digitale handtekening weergegeven wanneer u op de knop AIR-bestand publiceren klikt.

Het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer is onderverdeeld in twee secties: Instellingen voor toepassing en Instellingen voor installer. Zie de volgende secties voor meer informatie over deze instellingen.

Instellingen voor toepassing

De sectie Instellingen voor toepassing van het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer bevat de volgende opties:

Bestandsnaam
De naam van het hoofdbestand van de toepassing. Wordt standaard ingesteld op de naam van het FLA-bestand.

Naam
De naam die door de AIR-toepassingsinstaller wordt gebruikt om de bestandsnaam van de toepassing en de toepassingenmap te genereren. De naam mag alleen geldige tekens voor bestandsnamen of mapnamen bevatten. Wordt standaard ingesteld op de naam van het SWF-bestand.

Versie
Optioneel. Geeft een versienummer voor de toepassing op. Heeft als standaardwaarde 1,0.

Id
Identificeert uw toepassing met een unieke id. U kunt de standaard-id zo nodig wijzigen. Gebruik geen spaties of speciale tekens in de id. De enige geldige tekens zijn 0-9, a-z, A-Z, . (punt) en - (afbreekstreepje), van 1 tot 212 tekens lang. Wordt standaard ingesteld op com.adobe.example.toepassingsnaam.

Beschrijving
Optioneel. Hiermee kunt u een beschrijving van de toepassing invoeren, die in het installervenster wordt weergegeven wanneer de gebruiker de toepassing installeert. Is standaard leeg.

Copyright
Optioneel. Hier kunt u een auteursrechtbericht invoeren. Is standaard leeg.

Vensterstijl
Hiermee kunt u opgeven welke vensterstijl (of chroom) u voor de gebruikersinterface wilt gebruiken wanneer de gebruiker de toepassing op zijn of haar computer uitvoert. U kunt Standaardchroom opgeven (de standaardinstelling). Dit verwijst naar de standaard visuele vensterstijl die door het besturingssysteem wordt gebruikt. U kunt ook Aangepast chroom (ondoorzichtig) of Aangepast chroom (doorzichtig) opgeven. Selecteer Geen als u de toepassing zonder standaardchroom wilt weergeven. Standaardchroom omringt de toepassing met de standaardvensterbesturingselementen van het besturingssysteem. Met Aangepast chroom (ondoorzichtig) verwijdert u het standaardchroom en kunt u uw eigen chroom voor de toepassing maken. (U maakt het aangepaste chroom rechtstreeks in het FLA-bestand.) Aangepast chroom (doorzichtig) lijkt op Aangepast chroom (ondoorzichtig), maar hierbij worden mogelijkheden voor doorzichtigheid toegevoegd aan de randen van de pagina. Hierdoor kunt u toepassingsvensters maken die niet vierkant of rechthoekig van vorm zijn.

Pictogram
Optioneel. Hiermee kunt u een pictogram opgeven voor de toepassing. Het pictogram wordt weergegeven nadat u de toepassing hebt geïnstalleerd en deze uitvoert in de Adobe AIR runtime. U kunt vier verschillende grootten voor het pictogram opgeven (128, 48, 32 en 16 pixels) om rekening te houden met de verschillende weergaven van het pictogram. Het pictogram kan bijvoorbeeld in miniatuur- en detailweergave of in weergaven naast elkaar worden weergegeven in de browser. Het kan ook als bureaubladpictogram en in de titelbalk van het AIR-toepassingsvenster of op andere locaties worden weergegeven.

Standaard wordt een pictogram van een voorbeeld-AIR-toepassing weergegeven als er geen andere pictogrambestanden zijn opgegeven.

Klik op de knop Pictogramafbeeldingen selecteren in het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer om een pictogram op te geven. Klik op de map voor elke pictogramgrootte en selecteer het te gebruiken bestand in het dialoogvenster Pictogramafbeeldingen dat wordt weergegeven. De bestanden moeten de PNG-indeling hebben (Portable Network Graphics).

Afbeelding groot weergeven
Het dialoogvenster Pictogramafbeeldingen met de standaard Adobe AIR-toepassingspictogrammen

Als u een afbeelding opgeeft, moet deze een exacte grootte hebben (128x128, 48x48, 32x32 of 16x16). Als u voor een bepaald pictogramformaat geen afbeelding opgeeft, schaalt Adobe AIR een van de opgegeven afbeeldingen om de ontbrekende pictogramafbeelding te maken.

Geavanceerde instellingen

Met de knop Geavanceerde instellingen in het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer opent u een afzonderlijk dialoogvenster waarin u aanvullende instellingen kunt opgeven voor het toepassingsbeschrijvingsbestand.

Met het dialoogvenster Geavanceerde instellingen kunt u elk gekoppeld bestandstype opgeven dat de AIR-toepassing moet verwerken. Als u bijvoorbeeld wilt dat uw toepassing de voornaamste toepassing is voor het afhandelen van HTML-bestanden, zou u dat moeten opgeven in het tekstveld Gekoppelde bestandstypen.

U kunt ook instellingen opgeven voor de volgende aspecten van de toepassing:

  • De grootte en plaatsing van het beginvenster

  • De map waarin de toepassing wordt geïnstalleerd

  • De map in menu Start waarin de toepassing moet worden geplaatst

Het dialoogvenster heeft de volgende opties:

Gekoppelde bestandstypen
Hiermee kunt u gekoppelde bestandstypes opgeven die de AIR-toepassing zal verwerken. Klik op de plus-knop (+) om een nieuw bestandstype aan het tekstvak toe te voegen. Wanneer u op de plus-knop klikt, wordt het dialoogvenster Instellingen voor bestandstypen weergegeven. Wanneer u op de min-knop (-) klikt, wordt een geselecteerd item uit het tekstvak verwijderd. Wanneer u op de potloodknop klikt, wordt het dialoogvenster Instellingen voor bestandstypen weergegeven. Daar kunt u een item bewerken dat u in het tekstvak hebt geselecteerd. De min-knop en de potloodknop zijn standaard gedimd. Wanneer u een item in het tekstvak selecteert, worden de min-knop en de potloodknop geactiveerd, zodat u het item kunt verwijderen of bewerken. De standaardwaarde in het tekstvak is Geen.

Begininstellingen voor venster
Hiermee kunt u instellingen voor grootte en plaatsing opgeven voor het eerste venster van de toepassing.
  • Breedte: geeft de beginbreedte van het venster op, in pixels. De waarde is standaard leeg.

  • Hoogte: geeft de beginhoogte van het venster op, in pixels. De waarde is standaard leeg.

  • X: geeft de horizontale beginpositie van het venster op, in pixels. De waarde is standaard leeg.

  • Y: geeft de verticale beginpositie van het venster op, in pixels. De waarde is standaard leeg.

  • Maximumbreedte en Maximumhoogte: geeft de maximumgrootte van het venster op, in pixels. Deze waarden zijn standaard leeg.

  • Minimumbreedte en Minimumhoogte: geeft de minimumgrootte van het venster op, in pixels. Deze waarden zijn standaard leeg.

  • Maximaliseerbaar: hiermee kunt u opgeven of de gebruiker het venster kan maximaliseren. Deze optie is standaard geselecteerd (of true).

  • Minimaliseerbaar: hiermee kunt u opgeven of de gebruiker het venster kan minimaliseren. Deze optie is standaard geselecteerd (of true).

  • Formaat aanpasbaar: hiermee kunt u opgeven of de gebruiker het formaat van het venster kan aanpassen. Wanneer deze optie niet is geselecteerd, zijn Maximumbreedte, Maximumhoogte, Minimumbreedte en Minimumhoogte gedimd. Deze optie is standaard geselecteerd (of true).

  • Zichtbaar: hiermee kunt u opgeven of het toepassingsvenster in eerste instantie zichtbaar is. Deze optie is standaard geselecteerd (of true).

Overige instellingen
Hiermee kunt u de volgende aanvullende informatie opgeven over de installatie.
  • Installatiemap: geeft de map op waarin de toepassing wordt geïnstalleerd.

  • Map in menu Start (alleen Windows): geeft de naam op van de map in menu Start voor de toepassing.

  • Aangepaste UI voor updates gebruiken geeft op wat er gebeurt wanneer een gebruiker een AIR-installerbestand opent voor een toepassing die al is geïnstalleerd. AIR geeft standaard een dialoogvenster weer waarmee de gebruiker de geïnstalleerde versie kan bijwerken naar de versie in het AIR-bestand. Als u niet wilt dat de gebruiker deze keuze heeft en de toepassing de updates volledig wilt laten bepalen, selecteert u deze optie. Wanneer u deze optie selecteert, wordt het standaardgedrag overschreven en kan de toepassing de eigen updates uitvoeren.

Instellingen voor bestandstypen

Het dialoogvenster Instellingen voor bestandstypen wordt weergegeven wanneer u op de plus-knop of de potloodknop klikt in het gedeelte Gekoppelde bestandstypen van het dialoogvenster Geavanceerde instellingen om gekoppelde bestandstypen voor de toepassing toe te voegen of te bewerken.

De enige twee verplichte velden in dit dialoogvenster zijn Naam en Extensie. Wanneer u op OK klikt en een van deze velden is leeg, wordt een foutdialoogvenster weergegeven.

U kunt de volgende instellingen voor een gekoppeld bestandstype opgeven:

Naam
De naam van het bestandstype (bijvoorbeeld Hypertext Markup Language, Tekstbestand of Voorbeeld).

Extensie
De extensie van de bestandsnaam (bijvoorbeeld html, txt of xmpl), maximaal 39 alfanumerieke tekens zonder accent (A-Za-z0-9) en zonder een voorlooppunt.

Beschrijving
Optioneel. Een beschrijving van het bestandstype (bijvoorbeeld Adobe Video File).

Inhoudstype
Optioneel. Geeft het MIME-type voor het bestand op.

Instellingen voor bestandstypepictogrammen
Optioneel. Hiermee kunt u een pictogram opgeven dat aan het bestandstype wordt gekoppeld. U kunt vier verschillende grootten voor het pictogram opgeven (128x128, 48x48, 32x32 en 16x16 pixels) om rekening te houden met de verschillende weergaven van het pictogram. Het pictogram kan bijvoorbeeld in miniatuur- en detailweergave of in weergaven naast elkaar worden weergegeven in de browser.

Wanneer u een afbeelding opgeeft, moet deze de grootte hebben die u opgeeft. Wanneer u geen bestand opgeeft voor een bepaalde grootte, gebruikt AIR de afbeelding met de dichtstbijzijnde grootte om deze passend te schalen.

Als u een pictogram wilt opgeven, klikt u op de map voor elke pictogramgrootte en selecteert u het pictogrambestand dat u wilt gebruiken. U kunt ook het pad en de bestandsnaam ervan invoeren in het tekstvak naast de vraag. Het pictogrambestand moet de PNG-indeling hebben.

Nadat een nieuw bestandstype is gemaakt, wordt het weergegeven in de selectielijst Bestandstype in het dialoogvenster Geavanceerde instellingen.

Instellingen voor toepassingsbeschrijvingsbestanden

De toepassingsinstellingen die u in het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer opgeeft, worden opgeslagen in het bestand toepassingsnaam-app.xml wanneer u uw AIR-toepassing publiceert. U kunt echter aangeven dat u een aangepast toepassingsbeschrijvingsbestand wilt gebruiken.

Aangepast toepassingsbeschrijvingsbestand gebruiken
Hiermee kunt u naar een aangepast toepassingsbeschrijvingsbestand bladeren. Wanneer u Aangepast toepassingsbeschrijvingsbestand gebruiken selecteert, wordt de sectie Toepassingsinstellingen in het dialoogvenster gedimd. Wanneer u de locatie van het aangepaste toepassingsbeschrijvingsbestand wilt opgeven, kunt u deze invoeren in het tekstveld onder Aangepast toepassingsbeschrijvingsbestand gebruiken. U kunt ook op het mappictogram klikken en naar de locatie bladeren. Zie Een aangepast toepassingsbeschrijvingsbestand maken in de handleiding AIR-toepassingen ontwikkelen voor meer informatie over het toepassingsbeschrijvingsbestand en het bewerken ervan.

Instellingen voor installer

De tweede sectie van het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer bevat instellingen die betrekking hebben op het installeren van de toepassing.

Digitale handtekening
Alle Adobe AIR-toepassingen moeten worden ondertekend om op een ander systeem te worden geïnstalleerd. Zie De toepassing ondertekenen voor informatie over het toewijzen van een digitale handtekening aan een Flash Adobe AIR-toepassing.

Doel
Geeft aan waar het AIR-bestand moet worden opgeslagen. De standaardlocatie is de map waar u het FLA-bestand hebt opgeslagen. Klik op het mappictogram om een andere locatie te selecteren. De standaardpakketnaam is de naam van de toepassing met de bestandsextensie .air.

Opgenomen bestanden/mappen
Geeft aan welke extra bestanden en mappen u in het toepassingspakket moet opnemen. Klik op de plus-knop (+) om bestanden toe te voegen; klik op de mapknop om mappen toe te voegen. Als u een bestand of map uit de lijst wilt verwijderen, selecteert u het bestand/de map en klikt u vervolgens op de min-knop (-).

Het toepassingsbeschrijvingsbestand en het hoofd-SWF-bestand worden automatisch aan de pakketlijst toegevoegd. De pakketlijst geeft deze bestanden zelfs weer wanneer u het Adobe AIR FLA-bestand nog niet hebt gepubliceerd. De pakketlijst geeft de bestanden en mappen in een platte structuur weer. Bestanden in een map worden niet vermeld en volledige padnamen voor bestanden worden weergegeven maar zo nodig ingekort.

Pictogrambestanden worden niet in de lijst opgenomen. Wanneer de bestanden worden verpakt, kopieert Flash pictogrambestanden naar een tijdelijke map die relatief is ten opzichte van de locatie van het SWF-bestand. De map wordt verwijderd nadat het verpakken is voltooid.

Fout bij maken toepassings- en installerbestanden

De toepassings- en installerbestanden kunnen in de volgende gevallen niet worden gemaakt:

  • De id-tekenreeks van de toepassing heeft een onjuiste lengte of bevat ongeldige tekens. De id-string van de toepassing kan 1 tot 212 tekens lang zijn en mag de volgende tekens bevatten: 0-9, a-z, A-Z, . (punt), - (afbreekstreepje).

  • Bestanden in de lijst Toegevoegde bestanden bestaan niet.

  • De grootten van aangepaste pictogrambestanden zijn onjuist.

  • De AIR-doelmap heeft geen schrijftoegang.

  • U hebt de toepassing niet ondertekend of u hebt niet aangegeven dat het een Adobe AIRI-toepassing betreft die later moet worden ondertekend.

Een aangepast toepassingsbeschrijvingsbestand maken

Het toepassingsbeschrijvingsbestand is een XML-bestand dat u kunt bewerken met een tekstverwerker. Flash maakt het beschrijvingsbestand aan op basis van de instellingen die u kiest in het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer. Tevens kunt u ervoor kiezen uw eigen beschrijvingsbestand te maken of om het bestand dat door Flash wordt gemaakt te bewerken.

Als u een aangepast toepassingsbeschrijvingsbestand wilt maken, bewerkt u de waarden door de gewenste instellingen op te geven. De standaardwaarden worden hier getoond:

  • id = com.adobe.example.swfname

  • version = 1.0

  • filename = swfname

  • description = blank

  • name = swfname

  • copyright = blank

  • initialWindow

    • content = swfname.swf

    • systemChrome = standard, type = normal

    • transparent = false

    • visible = true

  • pictogram

    • image128x128 = icons/AIRApp_128.png

    • image48x48 = icons/AIRApp_48.png

    • image32x32 = icons/AIRApp_32.png

    • image16x16 = icons/AIRApp_16.png

  • customUpdateUI = false

  • allowBrowserInvocation = false

U kunt de eigenschappen description en name zodanig aanpassen dat er andere talen dan Engels worden opgenomen.

Een name of description opgeven voor extra talen:

  1. Verwijder het standaardelement name of description.

  2. Vervang het door het voorbeeldelement name of description datin het standaardbeschrijvingsbestand wordt gegeven.

    Het voorbeeldelement name ziet er als volgt uit:

    <!-- Gebruik de volgende indeling voor het naamelement om de naam te localiseren.

    <name>

    <text xml:lang="en">Engelse naam toepassing hier invoegen</text>

    <text xml:lang="fr">Franse naam toepassing hier invoegen</text>

    <text xml:lang="ja">Japanse naam toepassing hier invoegen</text>

    </name>

    -->

    Het kenmerk xml:lang voor elk text-element geeft een taalcode aan, zoals is gedefinieerd in RFC4646 (http://www.ietf.org/rfc/rfc4646.txt).

  3. Wanneer u klaar bent met het toevoegen of verwijderen van text-elementen kunt u de commentaarindicatoren verwijderen (<!-- en -->) van rondom het element name.

Zie AIR-toepassingseigenschappen instellen in de handleiding AIR-toepassingen ontwikkelen op www.adobe.com/go/go/learn_air_nl voor meer informatie over het toepassingsbeschrijvingsbestand en de eigenschappen ervan.

De toepassing ondertekenen

Alle Adobe AIR-toepassingen moeten worden ondertekend om op een ander systeem te worden geïnstalleerd. Flash biedt echter de mogelijkheid ongetekende Adobe AIR-installerbestanden te maken, zodat de toepassing later kan worden ondertekend. Deze ongetekende Adobe AIR-installerbestanden worden een AIRI-pakket (AIR Intermediate) genoemd. Deze mogelijkheid voorziet in gevallen waarin het certificaat zich op een andere computer bevindt of wanneer het ondertekenen apart van de toepassingsontwikkeling wordt afgehandeld.

Een Adobe AIR-toepassing ondertekenen met een vooraf gekocht digitaal certificaat van een basiscertificeringsinstantie

  1. Klik op de knop Digitale handtekening instellen in het dialoogvenster AIR - Instellingen voor toepassing en installer. Het dialoogvenster Digitale handtekening wordt geopend.

    Dit dialoogvenster bevat twee keuzerondjes waarmee u ofwel uw Adobe AIR-toepassing kunt ondertekenen met een digitaal certificaat ofwel een AIRI-pakket kunt voorbereiden. Wanneer u de AIR-toepassing ondertekent, kunt u een digitaal certificaat gebruiken dat is verleend door een basiscertificeringsinstantie of een niet-geautoriseerd certificaat maken. Een niet-geautoriseerd certificaat is gemakkelijk te maken, maar is niet zo betrouwbaar als een certificaat dat is toegewezen door een basiscertificeringsinstantie.

    Afbeelding groot weergeven
    Dialoogvenster Digitale handtekening voor het ondertekenen van een AIR-toepassing

  2. Selecteer een certificaatbestand in het pop-upmenu of klik op de knop Bladeren om een certificaatbestand te zoeken.

  3. Selecteer het certificaat.

  4. Voer een wachtwoord in.

  5. Klik op OK.

Zie AIR-bestand digitaal ondertekenen in de handleiding AIR-toepassingen ontwikkelen voor meer informatie over het ondertekenen van uw AIR-toepassing.

Een niet-geautoriseerd digitaal certificaat maken

  1. Klik op de knop Maken. Het dialoogvenster Niet-geautoriseerd digitaal certificaat wordt geopend.

  2. Voer de velden Naam van uitgever, Organisatie-eenheid, Naam van organisatie, Land, Wachtwoord en Wachtwoord bevestigen in. Bij Land kunt u een optie uit het menu kiezen of een landcode van twee letters invoeren die niet in het menu voorkomt. Zie http://www.iso.org/iso/country_codes voor een lijst met geldige landcodes.

  3. Geeft het type certificaat op.

    De optie Type verwijst naar het beveiligingsniveau van het certificaat: 1024-RSA gebruikt een 1024-bits sleutel (minder veilig); 2048-RSA gebruikt een 2048-bits sleutel (veiliger).

  4. Sla de informatie op in een certificaatbestand met Opslaan als, of door op de knop Bladeren te klikken en naar een maplocatie te bladeren.

  5. Klik op OK.

  6. Voer in het dialoogvenster Digitale handtekening het wachtwoord in dat u in de tweede stap van deze procedure hebt toegewezen en klik op OK.

Nadat u een digitaal certificaat hebt ingesteld, verandert de knop Instellen in de knop Wijzigen.

Als u wilt dat Flash het wachtwoord onthoudt dat u voor deze sessie hebt gebruikt, klikt u op Wachtwoord onthouden gedurende deze sessie.

Wanneer de optie Tijdstempel niet is geselecteerd wanneer u op OK klikt, wordt een dialoogvenster weergegeven met de waarschuwing dat de toepassing niet kan worden geïnstalleerd wanneer het digitale certificaat verloopt. Wanneer u in het waarschuwingsvenster op Ja klikt, wordt tijdstempeling uitgeschakeld. Wanneer u op Nee klikt, wordt de optie Tijdstempel automatisch geselecteerd en wordt tijdstempeling ingeschakeld.

Zie AIR-bestand digitaal ondertekenen in de handleiding AIR-toepassingen ontwikkelen voor meer informatie over het maken van een niet-geautoriseerd digitaal certificaat.

U kunt ook een AIRI-toepassing (AIR Intermediate) maken zonder digitale handtekening. Een gebruiker kan de toepassing echter pas op een computer installeren nadat u een digitale handtekening hebt toegevoegd.

AIRI-pakket voorbereiden op ondertekening

 Selecteer AIRI-pakket voorbereiden op ondertekening in het dialoogvenster Digitale handtekening en klik op OK.

Wanneer u ervoor kiest een AIRI-pakket voor te bereiden op ondertekening, verandert de status van de digitale handtekening en verandert de knop Instellen in de knop Wijzigen.

Als u ervoor kiest de toepassing later te ondertekenen, moet u vanaf de opdrachtregel de AIR Developer Tool gebruiken, die bij Flash en de AIR SDK wordt geleverd. Zie Adobe AIR 1.1-toepassingen ontwikkelen met Adobe Flash CS4 Professional voor meer informatie.